Men beweert dat deze druivensoort thuis hoort in de top drie van Italië langs Nebbiolo en Sangiovese.
Hard - of eerder vloeibaar - bewijs voor deze bewering was er tot een tijd geleden eigenlijk niet, maar stilaan
beginnen de bewijzen zich op te stapelen. Aglianico kan waarschijnlijk wel gekwalificeerd worden als de
grootste rode druivensoort uit de Mezzogiorno, hoewel producenten van de Nero d'Avola uit Sicilië, van de
Negroamaro uit Puglië en de Carignano uit Sardinië hier wellicht anders over denken.
Er wordt traditioneel verondersteld dat de naam Aglianico afkomstig is van het woord 'Hellenicum', wat 'grieks'
betekent. Dit lijkt een aannemelijke veronderstelling, omdat zowat algemeen aanvaard wordt dat de druif van
Griekse origine is. Deze stelling wordt echter betwist door sommigen die beweren dat de naam is afgeleid van
Gauranico of Guarano.
KENMERKEN
Meest voorkomende wijnstreek:
Basilicata
Kleur van de schil:
blauwzwart
Karakteristieken:
oudste druivensoort in Zuid-Italië met Griekse roots (ellenico); kleine trosjes en bladeren,
druifjes met een dikke schil; late rijper; levert donkere wijnen met stevige tannines, wijnen
die erg lang kunnen verouderen
Vinificatiemogelijkheden:
wordt als primeurwijn, rosé en als stevige rode wijn gevinifieerd; kan dus zowel op inox als op
eikenhouten vaten gemaakt en gelagerd worden; de beste wijnen kunnen decennialang positief evolueren
Wijnstijlen:
primeurwijn, rosé en krachtig rood
Bewaarkracht:
20 jaar
Te drinken bij:
naargelang de wijnstijl past de wijn bij heel veel verschillende gerechten; de beste rode wijnen
doen het uitstekend bij haarwild en bij kort gebakken rundvlees
Bekendste herkomstbenamingen:
Taurasi, Aglianico del Vulture, Castel del Monte, Irpinia, Biferno
Twee regio's claimen de eer de werkelijke thuisbasis van de Aglianico te zijn: Campanië en Basilicata.
Historisch gezien is het senario dat de druif uit Griekenland naar een haven bij Napels is meegebracht door
de Feniciërs het meest geloofwaardig.
Zij zouden tussen twee-en-een-half en drieduizend jaar geleden de
verspreiding in gang gezet hebben langs de kust naar Monte Massico en landinwaarts over wegen en rivieren
tot in Basilicata en Puglië. In nog andere streken zou de druif locale karakteristieken hebben verkregen en
uiteindelijk ook een andere naam.
De meest gekende zone in Campania waar de Aglianico recent gecultiveerd wordt is de historische streek Irpinia
in de provincie Avellino, en meer bepaald in de gemeente Taurasi, op hoogtes van 300 tot 500 meter, wat redelijk
hoog is voor een fijne rode druif.
Eén van de redenen voor deze hoogte is dat de groei van de druif enkel in
bedwang kan gehouden worden door grote temperatuurverschillen tussen dag en nacht. In de hitte van kustgebieden
zou deze druivensoort teveel plantengroei vertonen, te veel suiker produceren en aan balans verliezen.
De overheersende sub-variëteit, de Aglianico del Taurasi, zou de meest gestructureerde zijn, vandaar de
mogelijkheid van haar wijnen om tientallen jaren rijpen.
Een voor Aglianico minder bekende zone in Campanië, maar zeker evenwaardig en met een aanzienlijk groter
productieniveau, is de provincie Benevento, waar de sub-variëteit Aglianico Amaro (letterlijk 'bitter', maar
het zou meer naar de aciditeit refereren) heet. Producenten prijzen Amaro als de meest elegante van de
Aglianico's, hoewel die omschrijving niet goed overeenkomt met hoge aciditeit of zelfs bitterheid.
De belangrijkste zone voor Aglianico in Basilicata is ongetwijfeld op de stijle hellingen van Monte Vulture en
de zachtere hellingen van het Venosa-plateau. De sub-variëteit hier heet dan ook Aglianico del Vulture en wordt
door de lokale bevolking natuurlijk beschouwd als de beste en meest malse en zachte van alle bestaande Aglianico's.
De algemeen meest opvallende kenmerken van de Aglianico zijn een halfdik vel, waardoor de druif botrytis kan
afhouden tot ver in de herfst, en een voor een warm-klimaat variëteit zeer late rijpingsperiode. Er wordt
meestal pas geoogst in de tweede helft van oktober tot zelfs in november, hoewel er nu ook clonen worden
ontwikkeld die vroeger rijp zijn.
Dit kenmerk, dat de Aglianico deelt met de Nebbiolo, draagt ontegensprekelijk
bij tot haar enorm potentiëel tot complexiteit in smaak en aroma. Het deelt ook de neiging tot hoge aciditeit
en tannines met de Nebbiolo, wat een volledige malolactische fermentatie noodzakelijk maakt om haar drinkbaar
te krijgen. De natuurlijke zuren geven daarentegen de op Aglianico gebaseerde wijnen een aanzienlijk
rijpingspotentiëel.
Verschillende cultivatiemethoden worden toegepast: canneto, een door bamboe gesteunde indianentent-type,
traditioneel in Rionero; raggiera, de viertakkige hoge opstelmethode naar Etruskische stijl, gebruikt in
Benevento, en zelfs het zoals bij de oude Etrusken langs bomen op laten groeien in sommige promiscue wijngaarden.
Maar voor serieuze wijnen en in de meeste huidige plantages is de spalliera/cordone speronato met lage stam
de favoriete methode.
Aglianico wordt ook gebruikt in andere delen van Campanië en Basilicata en ook in kleinere gebieden in Molise,
Puglië en Calabrië.